Decentrale opwekkingsinstallaties en overdrachtstations van klanten die rechtstreeks op het middenspanningsnet van een netbeheerder worden aangesloten, moeten op afstand worden verbonden. Dit is met name om de volgende twee redenen noodzakelijk:
Voor netwerkdoeleinden:
Daarvoor moeten signalen, gegevens en meldingen worden overgedragen, bijvoorbeeld positiemeldingen van middenspanningsschakelapparaten, waarschuwings- en storingsmeldingen van de installatie evenals van de inrichtingen van de netbeveiliging, meldingen over de beschikbaarheid van de installatie, bedrijfsmeetwaarden op het netaansluitpunt en informatie voor de beschikbaarstelling van het blindvermogen.
Voor het terugleverbeheer conform §9 EEG (Duitse wet op duurzame energie):
Hierbij wordt de aansluiting op afstand bij opwekkingsinstallaties en opslagsystemen benut om de gewenste waarden voor de voeding van het werkelijke vermogen (incl. melding) en de meetwaarden voor de registratie van het werkelijke vermogen over te dragen. Zowel met het oog op de netwerkdoeleinden als op het terugleverbeheer moeten de taken gebundeld in een op afstand bedienbare inrichting worden gerealiseerd. De netbeheerders leggen hun eisen aan de aansluiting van de overdrachtstations van klanten op het middenspanningsnetwerk in zogenoemde richtlijnen, specificaties en technische aansluitvoorwaarden vast.
Voor de middenspanning voorzien de netbeheerders in een gateway om de vereiste signaalomvang op een communicatie-interface ter beschikking te stellen – deze kunnen echter van elkaar verschillen: de in Duitsland actieve netbeheerder Westnetz stelt bijvoorbeeld een IP-gebaseerde interface (IEC 60870-15-104) ter beschikking, terwijl e.on voor de aansluiting op de middenspanningsnetwerken een serieel protocol (IEC 60870-5-101) ter beschikking stelt. Deze interfaces vormen dan ook de "eigendomsgrens" tussen netbeheerder en klant. De klant dient de benodigde remote techniek beschikbaar te stellen die wederom de vereiste signaalomvang beschikbaar stelt.